- Inleiding
- Muziek
- Hasj
- Liefde
- Alledagse leven
- Dood
- Gevangenis
- Satire
- Exotisme
- Pseudo-rebètika
- Amán-lied
Rebetika
De rebètika-muziek ontstond aan het einde van de negentiende eeuw in de onderste laag van de Griekse samenleving en vertegenwoordigde tot vlak na de Tweede Wereldoorlog een heftige cultuur in de oude harten van de Griekse steden. Sterk steunend op de oosterse melodiek, maar evenzeer beïnvloed door het harmonische denken van de West-Europese muziekcultuur bezit zij juist die exotische schoonheid waardoor zij heden ten dage weer volop in de belangstelling kan staan.
In 1821 bevrijdde Griekenland zich van de Turkse overheersing. Direct probeerde men, ook in muzikaal opzicht, de invloeden van 400 jaar Turkse heerschappij van zich af te schudden en richtte men zich op de Europese cultuur. De in 1838 in Athene geopende Opera werd druk bezocht, en ook revues waren erg populair. Alleen in de onderste laag van de samenleving, in havenkroegen, hasjkitten, gevangenissen en gewoon in de straten in het oude hart van de steden, waren nog de traditionele oosterse muziek en de klanken van de bouzouki te beluisteren.
Aan het einde van de negentiende eeuw was in steden als Ermoúpolis, Thessaloniki, Piraeus, Athene en Smyrna een groot subproletariaat ontstaan, bestaande uit dagloners, koelies, zwervers, avonturiers, verslaafden, prostituees en criminelen. Binnen deze groep ontwikkelde zich een eigen cultuur, met een eigen taal, kleding, cafés, muziek. De koutsavákides, later de manges, vormden de kern van deze groep. Zij verzetten zich heftig tegen de gevestigde orde en regelden hun eigen zaken.
De mangas is de held van de rebètika. Markos Vamvakaris (1905-1972) is de meest roemruchte. Stijlvol gekleed als een Amerikaanse gangster uit de jaren dertig, met lak aan conventies en de gevestigde orde, leidt hij een romantisch, ruig leven, met muziek, dans, hasj en mooie vrouwen. Hij beweegt zich in de wereld van de rebetes: gelijkgezinden uit de Griekse onderwereld.
In de jaren dertig van deze eeuw braken voor de rebètika-muziek moeilijke tijden aan. De hasjcultuur, die nauw verbonden was met de rebètika, werd van hogerhand en met name door de persoon van dictator Metaxás, bestreden. Om die reden viel de politie hasjkitten binnen en sloeg bouzouki's kapot. Ook censureerde Metaxás de rebètika-platen, omdat de teksten vaak over hasj gingen. Bij het volk raakte de rebètika hierdoor juist geliefd.
Vlak na de Tweede Wereldoorlog begonnen de rebètika-liederen ook bij de middenklasse in de smaak te vallen. Tegelijkertijd werd de oosterse basis van de rebètika steeds smaller. Zo zei de grote bouzouki-speler Vasilis Tsitsanis dat hij de taximi, een improvisatie op een oosterse toonladder waarmee een bouzouki-speler zich kon bewijzen, niet meer goed kon spelen. Tsitsanis' rebètika-liederen leken inderdaad soms meer op Italiaanse cantades. De hasj kwam niet meer in de teksten voor, de mángas was uit het straatbeeld verdwenen en rond 1952 werd de definitieve doodsteek aan de rebètika-cultuur toegebracht, toen het grote publiek de rebètika als feestmuziek ging waarderen.
De bouzouki, het bekendste rebètika-instrument, is een luit met een lange hals en had oorspronkelijk drie dubbele snaren. Rond 1940 voegde de virtuoos Manolis Chiotis er een vierde snaar aan toe om sneller te kunnen spelen. De baglamás is een kleinere uitvoering van de bouzouki, met drie dubbele snaren en een karakteristiek hoog geluid. Samen met de Spaanse gitaar vormen de bouzouki en de baglamás de drie standaardinstrumenten van de rebètika-muziek. Op oude rebètika-opnamen is soms een banjo of een tzourás, een driekwart-bouzouki, te horen. Soms zijn ook glaasjes te horen, die bespeeld werden door er een komboloi, een kralensnoer, langs te halen. Na de oorlog worden ook accordeon en piano wel als rebètika-instrument gebruikt.
In een parallelle, uit Smyrna afkomstige traditie, die tot de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan, werden rebètika-liederen begeleid door sandouri (citer) en viool, vaak aangevuld met specifiek oosterse instrumenten als ud (Turkse luit) of canun (citers), of met westerse als gitaar, banjo of mandoline.
Rebètika is oosterse muziek. De melodie van de rebètika is gebonden aan erg strenge, vaststaande patronen, de maqams (toonladders of liever toonschalen). Hele en halve toonsafstanden zijn daarin niet altijd even groot. Voor westerse oren lijken soms kwarttonen voor te komen. De rebètika-liederen maken gebruik van de maqams, maar worden begeleid door instrumenten met een typisch westerse, gelijkzwevende stemming. Zo zijn twee verschillende muziekculturen binnen de rebètika op een bijzondere manier met elkaar verbonden.
THEMA MUZIEK
Na de Turkse overheersing begint de oosterse muziek uit de Griekse samenleving te verdwijnen. In de kringen van rebetes en manges blijft deze muziek echter voortbestaan. De mangas beschouwt zichzelf als kenner van de maqam en in staat de peilloze diepten ervan te doorgronden. Voor de manges is hun muziek ook een middel om zich van de rest van de samenleving te onderscheiden; zij geeft hun een gevoel van eigenwaarde, plaatst hen boven de mensen. Geen wonder dus dat muziek een van de belangrijkste ingrediënten in het leven van de manges is.
De bouzouki is het rebètika-instrument bij uitstek en wordt het symbool van een levenswijze. Door de mangas wordt het instrument bijna verafgood, hij kan niet zonder: de bouzouki brengt geluk, maakt het leven waard om te leven.
Het verbod op muziekinstrumenten in de gevangenis viel Markos Vamvakaris heel zwaar. Rond 1935 ging hij vaak naar Schizas de meesterdief, om bij hem bouzouki te spelen en om te roken. Op een avond werd het gezelschap gearresteerd. De politie geloofde dat het om een bende ging en Markos bracht acht maanden in voorarrest door. Elke avond zong toen dezelfde onbekende man nummers van Márkos onder de ramen van de gevangenis.
'O, o, moedertje, wat een ellende. Ik werd gek', vertelde Markos later. 'Ik zei tegen mezelf: het is met me gedaan, ik kan het vergeten. Nooit zal ik meer kunnen spelen. Wat een verdriet, dag en nacht! Ik had m'n bouzouki niet.'
Inhoud:
1. Egó mangas fainómouna – Dat ik een mangas zou worden
2. Oli i rebetes tou douniá – Alle rebetes van de wereld
3. Bouzouki mou diplóchordo – Bouzouki met je dubbele snaren
4. Chrónia sto Perea – Jaren in Piraeus
5. Jovan Tsaoús – Jovan Tsaoús
1. DAT IK EEN MANGAS ZOU WORDEN
Dat ik een mangas zou worden
bleek al van jongs af aan:
ik begreep wat me te doen stond
en leerde bouzouki.
In plaats van naar school
ging ik naar Karaïskaki;*
ik dronk er verschillende drankjes
om bouzouki te leren.
Mijn familie eiste
dat ik op zou houden
met die rot-bouzouki,
want ik zette hen te schande.
Maar ik bleef hem
altijd bij me houden,
die rot-bouzouki,
mijn eeuwige kameraad.
* Karaïskáki was een ongure buurt in Piraeus die toentertijd vol barakken stond.
2. ALLE REBETES VAN DE WERELD
Alle rebetes van de wereld
houden van mij:
zo gauw ze me zien,
gaan ze voor de bijl.
En die me niet kennen
zullen me leren kennen:
ik ga gewoon m'n gang
en laat ze maar om me lachen.
Ook ik ben arm geboren,
over de wereld heb ik gereisd.
In het diepste van mijn hart
heb ook ik geleden.
En alle koutsavákides*
die op de wereld wonen,
hebben binnen in hun hart
allemaal een groot verdriet.
* De voorlopers van de mánges.
3. BOUZOUKI MET JE DUBBELE SNAREN
Bouzouki met je dubbele snaren, arme bouzouki,
Jij bent de enige troost voor iedereen die verdriet heeft.
Jij kent mijn verdriet, trouweloze, en je hebt spijt,
Want je weet hoe ik was voor je me gek maakte.
Nu heb ik afgedaan, ze noemen me een zwerver:
Wat heb ik aan zo’n leven, de duivel mag me halen.
Het is niet mijn schuld dat ik een zwerver, een stakker ben:
Om twee valse oogjes huil ik dag en nacht.
Bouzouki, trouwe makker, mij rest jou alleen,
Om dit valse, bedrieglijke leven dragelijk te maken.
4. JAREN IN PIRAEUS
Jaren in Troúmba* een vrijgevochten mángas,
vraag maar na, voor je met me trouwt,
jaren in Piraeus een vrijgevochten mángas.
Ik ben een slimme jongen, ik speel ook bouzouki;
iedereen houdt van me, omdat ik van Siros** kom.
Op straat, waar ik ben opgegroeid, bewonderen ze me allemaal,
want ik ben een slimme mángas en helemaal oké.
De mánges geven om me en hebben een hoge dunk van me;
wanneer ze me zien komen, doen ze meteen met me mee.
* Wijk in Piraeus.
** Eiland van de Cycladen.
5. JOVAN TSAOUS
Mijn bouzouki houd ik vast,
ik speel de zeïbékiko.*
Kom, vrienden, sta op
en begin te dansen.
Jován Tsaoús** speelt
mooi op zijn bouzouki,
en de gitaar volgt
de zeïbékiko zachtjes.
Schenk retsina***, kastelein,
op de gezondheid van Tsaoús:
dat hij maar bouzouki moge spelen
en de mensen dansen.
*Een geïmproviseerde solodans voor een man, in 9/8 maat.
** Een uit Turkije afkomstige Griek, de beste bouzouki-speler van de eerste generatie rebètika-muzikanten.
*** Een witte harswijn.
THEMA HASJ
Het gebruik van hasj kent in het Midden-Oosten een lange traditie. Aan het eind van de vorige eeuw werd de hasj via Turkije in Griekenland geïntroduceerd. In de steden ontstonden hasjkitten, waar de hasj volgens Turks gebruik met de waterpijp gerookt werd.
In de rebètika-cultuur ging hasj een belangrijke rol spelen. In de hasjkitten ontmoette men elkaar om gezamenlijk de waterpijp te roken, die door de kitbaas werd gestopt en bij voorkeur door een leuk meisje werd aangestoken. Dit ritueel van waterpijp roken versterkte het voor de manges zo belangrijke gevoel van verbondenheid, van vriendschap. Het gebruik van harddrugs als heroïne en cocaïne, waaraan sommige rebetes zich te buiten gingen, wordt in de rebètika-teksten ondubbelzinnig afgekeurd. Ook drank past niet in de wereld van de manges. Het offensief van de overheid tegen drugs in de jaren dertig valt duidelijk uit de teksten te lezen: vaak is er sprake van een uitkijk, die waarschuwt voor politieagenten.
Liever dan ouzo drinken en vandaag of morgen eraan doodgaan, rookte ik hasj om tot rust te komen, ergens te zitten en te staren, gewoon te kijken. (Markos Vamvakaris)
Inhoud:
6. Epiásane ton Bati – Ze hebben Batis opgepakt
7. Pende manges ston teké – Vijf manges in de hasjkit
8. Stin ipoga - In een kelder
9. Preza otan piiés – Als je heroïne gebruikt
10. Panda me glikó chasisi – Wat fijn is het met goeie hasj
11. Iroïni ke mavraki – Heroïne en hasj
12. Ime prezákias – Ik ben een spuiter
13. O xémangas – De ex-mangas
14. Poú ‘soun, manga, to chimona? – Waar was je, mangas, deze winter?
15. Efoumernam’ ena vradi – We rookten op een avond
16. O ponos tou prezákia – De pijn van de spuiter
17. Vre manga, to macheri sou – Hé mangas, je mes
18. I baglamades – De baglamades
19. Paraponiounde i manges mas – Onze mánges klagen
20. Ferte preza na prezaro – Breng heroïne om te snuiven
91. Giatí foumaro kokaïni - Waarom ik cocaïne snuif
92. Ta pediá tis gitoniás - De kinderen uit mijn buurt
6. ZE HEBBEN BATIS OPGEPAKT
Op de vlooienmarkt
raakten ze bedwelmd van de dampen;
waar ze de waterpijp rookten,
viel de politie binnen.
Ze omsingelden de tent
van Batis* in Piraeus,
waar ze samen high werden,
hij en zijn vrienden.
In de zwarte gevangenis
zie je nu Batis en je vraagt zachtjes:
'Wat heb je, Batis, waarom huil je steeds?'
En dan hoor je een klaaglijke stem
vanachter de tralies
uit de nauwe, donkere gevangenis:
'Gewoon weer met een baglamás,
dolken en dobbelstenen zal ik naar
mijn verraders gaan, als ik vrijkom,
en aan ze vragen, hoe ze het maken.
Ga daarom, Markos**
en jullie allemaal, zonder grappen,
naar de minister
en vraag gratie voor mij.'
In de zwarte gevangenis
zie je nu Batis en je vraagt zachtjes:
'Wat heb je, Batis, waarom huil je steeds?'
En dan hoor je een klaaglijke stem
vanachter de tralies
uit de nauwe, donkere gevangenis:
* Jorgos Batis was een baglamás-speler van het eerste uur. Hij had een muziek- en dansschool annex rommelwinkel in de Karaïskaki-buurt, vlak bij de haven van Piraeus.
** Markos Vamvakaris, de 'vader' van de rebètika.
7. VIJF MANGES IN DE HASJKIT
Vijf mánges uit Piraeus kwamen langs een hasjkit,
toen een van hen zei: 'Laten we een waterpijp nemen.'
Ze gingen naar binnen om te roken en zeiden tegen de baas:
'Maak een lichte pijp met Perzische hasj.’
'Twee daalders kost hij, drie zullen we je geven.
Als het spul goed is, worden we je klant.' I
Ze rookten, maar het was nep, en ze zeiden tegen de baas: “
'Ik heb niks gevoeld, het was alleen tabak.’
'Zeg, dacht je dat je weed-rokers voor je had,
of misschien groentjes of spuiters?
Mánges, daar op die heuvel heb ik een waterpijp verstopt.
Kom mee 'm roken, dat is beter dan de hasjkit.
Zeg, dacht je dat je weed-rokers voor je had,
of misschien groentjes of spuiters?
Als ze de hasjkitten sluiten in Piraeus en Kremmidaroú*,
nou, dan breng ik mijn matje gewoon naar de grot.’
8. IN EEN KELDER
Achter de kazerne namen ze een mangas
te pakken in een kelder.
Er kwam een smeris met een pistool
en die schoot z'n kogels af op de roker.
De fez rolde op de grond
en de waterpijp ging halverwege uit.
Kiriakoula* steekt hem altijd aan,
zij verstopt hasj en sigaretten.
Hallo, Mitsos** met je scheve stelten,
je bent stoned van de walm.
* Kiriakoula is een verkleinwoord voor Kiriakí, een vrouwelijke voornaam.
* Mitsos is familiair voor Dimitris.
9. ALS JE HEROINE GEBRUIKT
Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat
houdt de heroïne me in leven.
De hele wereld kan ik aan,
als ik het witte poeder snuif.
De hele wereld is van mij,
als ik de heroïne heb en snuif,
en als de politie me ziet,
verdwijn ik in het niets.
Als je high wordt, ben je meteen
koning, dictator, god en wereldheerser;
als je heroïne gebruikt, geniet je, hoor,
en heel de wereld zie je door een roze bril.
Heel Griekenland is van mij.
Men lacht om haar ellende:
zij mist haar ene poot,
die hebben ze verdobbeld.
Ik zal dictator worden,
al vergaat de wereld tot as:
één zal er mijn waterpijp aansteken,
en een ander zal hem doven.
10. WAT FIJN IS HET MET GOEIE HASJ
Wat fijn is het met goeie hasj
stoned te worden elke dag,
en elke dag met mooie meiden
mijn leven door te brengen.
En van lippen van mángisses*
lekkere kussen te krijgen,
en bij 't ochtendgloren weer
naar het rebètika-hol te gaan.
En mocht ik eens bedwelmd raken
in het rebètika-hol,
dan zal ik als een bezwijken,
terwijl mooi en zoet bouzouki-spel klinkt.
* Meervoud van mángissa, vrouwelijke vorm van mangas.
11. HEROINE EN HASJ
Ik kon niet ontsnappen,
toen ik terug van Bursa* kwam:
een paar patsers verlinkten me
en ze pakten me op de boot.
Ik had in mijn jasje
twee zakjes met hasj genaaid,
en mijn holle hakken
zaten boordevol heroïne.
Rokers, huil nu maar,
want de waterpijpen zouden uitpuilen:
er zou een vagevuur zijn ontstaan
van hasj en heroïne.
Nou, ik heb mezelf beloofd
om weer spul te gaan halen.
Ik groet je, veelgeprezen Bursa,
in de hele wereld befaamd.
* Turkse stad in Azië, 200 km. van Istanbul.
12. IK BEN EEN SPUITER
Ik ben een spuiter, je hoort het goed,
en waar ik ook ga of sta,
iedereen roept: 'ga weg!'
Ze denken zeker dat ik ze op zal eten.
Ze walgen als ze me zien,
maar daar geef ik geen zier om;
als ik maar mijn heroïne heb,
heb ik verder niets te wensen.
Ik woon in een treinwagon,
een huis herinner ik me niet.
Een vuile jutezak
rol ik uit en daar slaap ik op.
Mijn kleren zijn versleten,
mijn vel zie je erdoorheen:
de heroïne heeft me vergiftigd,
het leven is voor mij voorbij.
Als ik nuchter ben,
wat heb ik dan een honger;
maar als ik high ben,
voel ik me koning in Athene.
Als ik doodga, mijn vriend,
dan komt de politie
met een vuilniskar
om de begrafenis te doen.
13. DE EX-MANGAS
Ik heb genoeg van de waterpijp,
ik walg van de hasj;
ik wil mijn lichaam nu
van andere passies laten proeven.
Ik ga achter mooie vrouwen,
wijn en citer aan,
en niet langer die rot-bouzouki
en de baglamás.
Ga van me heen, stom gras,
verdwijn jij ook maar, pijp,
dan kan ik mijn ogen openen
en uit de roes bijkomen.
Toen ik rookte,
dobbelde ik ook;
ze zeiden dat ik slim was,
maar ze vonden me een gek.
14. WAAR WAS JE, MANGAS, DEZE WINTER?
Waar was je, deze winter?
Waar had je je verstopt?
Ik was een speld in een hooiberg,
waar je op trapt en die je prikt.
Barba Jannis*, als je doodgaat,
wat doe je dan met de tzourás?
Barba Jannis, barba Petros,
zullen we dit jaar trouwen?
Steek hem aan en blaas hem uit,
steek hem aan, barba Petros,
die lange kaars.
Ik steek hem aan en hij gaat uit,
die arme kaars.
* Barba voor een mannelijke eigennaam duidt op meer respect dan alleen de voornaam, maar het is wel vertrouwelijk, zoals bij ons ongeveer: ome Jan, ome Peet.
15. WE ROOKTEN OP EEN AVOND
We rookten op een avond
een waterpijp met hasj uit Isfahan,
zonder, zoals vroeger,
een uitkijk bij de deur.
En er komen twee agenten
die ons in de dampen vinden.
Vlug de waterpijpen weg,
pas op voor de smeris.
Hallo, beste agent,
laat de waterpijp branden,
zodat de Turk kan roken,
die een fijne kerel is.
Hij brengt hasj uit Smyrna*
en de pijp uit Aidin,
en de pijp uit Aidin,
en de rokers plezier.
* Smyrna en Aidin zijn steden in West-Turkije.
16. DE PIJN VAN DE SPUITER
Sinds ik begonnen ben
heroïne te snuiven
negerende mensen me,
ik weet niet wat te doen.
Waar ik ook ga of sta,
de mensen plagen me.
M'n ziel verdraagt het niet
dat ze 'spuiter!' roepen.
Want van het snuiven
ging ik over op de naald
en mijn lichaam begon
langzaam weg te kwijnen.
Niets rest mij meer
op de wereld om te doen,
want de heroïne zorgt ervoor
dat ik doodga op straat.
17. HE, MANGAS, JE MES
Hé, mangas, je mes,
om het te dragen
moet je moed hebben, opschepper,
lef om het te trekken.
Die dingen neem ik niet
en berg je mes op,
want ik zal high worden, opschepper,
en naar je huis komen.
Ga ergens anders heen, opschepper,
om je uit te sloven,
want ook ik heb gerookt, opschepper,
en ik ben een flink end heen.
Zwijg en zit braaf,
want anders sla ik je immekaar,
ik kom met m'n pistool, opschepper,
en ik zal je vernederen.
18. DE BAGLAMADES
De baglamás speelt
en ik dans een zeïbékiko.
Breng me de waterpijp,
dan rook ik met u.
Nu ik bij u ben,
zal ik roken in uw huis.
19. ONZE MANGES KLAGEN
Onze manges en de aristocraten klagen allemaal,
dat ze geen hasj om te roken uit Istanbul krijgen.
Kom, mAngas, trek aan onze waterpijp,
want wij hebben hasj uit Istanbul in onze kit.
Dan hoor je ook Jován Tsaoús, die de bouzouki speelt,
en onder zijn mooie spel gaat de waterpijp aan;
en mooie haremmeisjes zullen onze pijp stoppen
met prima hasj, en zullen op de uitkijk staan.
Als rijke industriëlen dat prachtige bouzouki-spel zouden horen,
zouden ze hun verstand verliezen en een kruis slaan.
Ze zouden vragen: 'Maak ons eens een pijp, manges,
laten we stoned worden en naar bouzouki luisteren.'
En alle rijkelui zullen in de hasjkit zitten
om naar bouzouki te luisteren en high te worden.
Daarom zal er, beste mensen, in dit bestel,
al vergaat de hele wereld, altijd hasj te krijgen zijn.
20. BRENG HEROINE OM TE SNUIVEN
Vraag me niet, broeders,
waarom ik steeds zit na te denken.
Een laaiend vuur heb ik
in mijn hart, dat me kwelt.
Ach, breng me heroïne om te snuiven
en hasj om te roken.
Erinaki maakt me gek
met haar roze muiltjes:
als ik iets zeg, antwoordt ze niet,
proest ze het uit en wiegt steeds heen en weer.
De fijnbesnaarde mens
lijdt, maar zegt niets.
Ook al zingt hij, o bedrieglijke wereld,
zijn hart huilt binnen in hem.
Ach, breng me heroïne om te snuiven
en hasj om te roken.
91. WAAROM IK COCAÏNE SNUIF
Waar is mijn schoonheid van toen
in Athene was er niet één zoals ik
ik was echt een verschijning
ik wond iedereen om m'n vinger
maar een kerel kwam in mijn leven
een jongen die snoof
hij nam me alles af en en liet me stikken,
hij nam mijn hart, mijn geld, mijn jeugd,
en van verdriet snuif ik nu cocaïne.
Grote leiders hielden van me
oud, jong en nog jonger
en alle grote bazen
uit de hele stad.
ach wat een mooi leven
met gezang en drank
elke dag was een feest
een rijkeluisleventje.
en nu zwerf ik verlopen en zielig rond
en de liefde voor die kerel is er nog steeds.
Hij, de cocaïnesnuiver, maakte me gek,
daarom snuif ook ik cocaïne.
92. DE KINDEREN UIT MIJN BUURT
De kinderen uit mijn buurt plagen me:
ben je weer dronken, roepen ze.
Als ik dronken ben, val ik in de modder,
ik steun op mijn handen en kom overeind.
Ik heb genoeg van steeds maar ouzo,
breng me vlug een cognacje,
breng me vlug een wijntje.
THEMA LIEFDE
Een groot deel van de rebètika-liederen gaat uiteraard over de liefde. In de Griekse samenleving waren vrouwen moeilijk te bereiken, omdat ze streng werden afgeschermd door hun familie. Een potentiële echtgenoot moest in de eerste plaats door de familie worden goedgekeurd. Een rebetis was zelden goed genoeg en in veel liederen bezingt hij vol aanbidding, verafgoding, zo'n liefde-op-afstand. Aan de andere kant geeft de rebetis commentaar op al veroverde vrouwen: ze is jaloers, ze kijkt niet meer naar hem om, ze kijkt naar andere mannen, en soms heeft ze zelfs al een ander. De toon van deze liederen kan opvallend scherp en cynisch zijn; de liefde is soms omgeslagen in haat.
Rebètika was in hoofdzaak, vooral in de beginjaren, een mannenaangelegenheid. De mannen zongen over de liefde - vaak naar aanleiding van een concrete situatie - vanuit hun eigen optiek. Voor een rebetis was het ondenkbaar liefdesliederen ten gehore te brengen waarin eigenlijk een vrouw aan het woord was.
Toen de familie van zijn eerste liefde Markos Vamvakaris niet goed genoeg vond, restte hem niets anders dan haar te schaken. Maar toen ze hem verliet voor een ander, veranderde zijn liefde in bittere haat: 'Wat had ze me zeer gedaan, die vrouw, die hoer. Rotwijf. Slechte vrouw. Ik had dit nooit van haar verwacht. En ik had haar geschaakt, uit liefde had ik haar genomen.' Teruggrijpend op een oud Smyrneïsch lied schreef Márkos Ik wil je niet meer, een hard lied vol haat.
Inhoud:
21. Ta ble paráthira – De blauwe ramen
22. Frangosirianí – Frangosiriani-meisje
23. Prin to chárama – Voor de dageraad
24. Ánixe giatí den andecho – Doe open, want ik hou het niet uit
25. Ta ziliárika sou mátia – Jouw jaloerse ogen
26. Den se thelo pia – Ik wil je niet meer
27. Melachrinó - Brunette
28. Modistroula - Naaisterje
29. Ta matokladá sou – Je oogleden
30. Mavra mátia, mavra frídia – Zwarte ogen, zwarte wenkbrauwen
31. Fovame mi se chaso – Ik ben bang je te verliezen
32. Otan do ta dió sou mátia – Als ik je twee ogen zie
33. Diamando alaniara – Gekke Diamando
34. Stis Athinas tis omorfiés – Onder de schoonheden van Athene
35. Ómorfi melachriní – Een mooie zwartharige
36. Kalógeros - Monnik
37. Sto Fáliro pou plénese – In Fáliro, waar je baadt
38. I satrápissa – De prinses
39. Ti sou leï i mana sou? – Wat zegt je moeder?
40. Kouklaki - Poppetje
41. Rixe, tsingana, ta chartiá – Zigeunerin, leg mij de kaart
42. Ponó, den me lipase? – Ik lijd, heb je geen medelijden?
43. To minore tis avgís – De minore van de dageraad
44. Chatzikiriákio - Chatzikiriákio
45. Kathe vradi tha se perimeno – Elke avond zal ik op je wachten
46. M’ echis magemeno – Je hebt me betoverd
47. Ergatis timimenos - Gewaardeerd arbeider
48. Kalógria - Non
49. Chtes to vradi - Gisteravond
93. Dolofónissa - Moordenares
94. Foniás tha gino - Ik zal een moord begaan
95. Pasalimaniótisa – Meisje uit Pasalimani
96. Pangratiótisa - Meisje uit Pangrati
97. Ston Podonifti - In Podoniftis
98. O Pasatempos – Een tijdverdrijf
99. Ela Dimitroula - Kom, Dimitroula
100. Tha spaso koupes - Ik zal bekers breken
101. Konialí - Man uit Kónya
106. Den thelo to kakó sou – Ik wil je ongeluk niet
107. I zília – De jaloezie
108. Paliópedo – Slechterik
21. DE BLAUWE RAMEN
Ik zag je toen ik aan je hoge raam voorbijliep,
en ik raakte in de ban van je zwarte wenkbrauwen.
Je ging naar een andere buurt en nu loop ik rond als een gek.
Ik moet zuchten en huil tevergeefse tranen.
Waar ter wereld moet ik zoeken om je te vinden,
want je ging weg en liet me achter met een gebroken hart.
Zeg de huur op en kom terug naar je oude buurt,
dan kan ik je net als vroeger weer zien bij een raam.
22. FRANGOSIRIANI-MEISJE
Een knoop, een vlam heb ik in mijn hart,
Alsof je me betoverd hebt, m’n lieve FrangosIrianí.
Ik zal je ontmoeten, daaraan de waterkant,
Ik zou willen dat je me met aaien en kussen overlaadt.
Ik zal je meenemen naar Fínikas, Parakopí,
Galissás en Della Gracia, al val ik er bij neer.
Naar Pateli, naar Nichori, en fijn naar Alithiní,
En in Piskopió een romantsa, m’n lieve Frangosyriani.
* De Frangosiriani vormen het rooms-katholieke deel (8.000 van de 20.000 à 21.000) van de inwoners van het eiland Siros (Cycladen).
** Fínikas enz.: hier worden enkele dorpen op Siros genoemd.
23. VOOR DE DAGERAAD
Voor de dageraad ging ik alleen op pad.
Ach, en bij het ochtendgloren
was ik op ons vroegere plekje.
Ook al had een ander me gestrikt met haar kunsten,
ach, ik hou van je,
en ik ben bij je gekomen voor zonsopgang.
Nog voordat de sterren verbleekten ging ik de deur uit,
ach, om jouw lippen terug te vinden,
waar ik nooit genoeg van kreeg.
24. DOE OPEN, WANT IK HOU HET NIET UIT
Je raam is gesloten,
vergrendeld en donker.
Wees niet koppig en doe open,
zodat ik je kan zien.
Doe open, doe open, want ik hou het niet uit,
hou op, hou op me te kwellen.
Ik sta maar te staan in de wind,
uren zing ik al voor je nu.
De vlammen slaan uit mijn hart,
maar je laat je niet zien.
Doe open, doe open, want ik hou het niet uit,
hou op, hou op me te kwellen.
25. JOUW JALOERSE OGEN
Jouw jaloerse ogen hebben me gek gemaakt.
Een paleis hoefde ik niet, maar nu ben ik slaaf.
Ik verga, als een kaars brand ik op;
je kwelt me, omdat je niet van me houdt.
Ik was echt verliefd op je, en om jou huil ik nu.
Ik heb een vlam in mijn hart, hoor wat ik je zeg.
Ik verlang naar je, ik aanbid je;
word nou niet gemeen, anders word ik gek.
Het is een zonde dat je me zo alleen laat wegkwijnen
en mij achterlaat met enkel de pijn.
Je ogen en je meedogenloze hart
hebben me van m'n arme verstand beroofd.
26. IK WIL JE NIET MEER
Na alles wat je me hebt aangedaan,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
M'n binnenste heb je zwart gemaakt,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Ik vind je fratsen niet leuk meer,
ik geef niet meer om je mooie ogen:
ik speel en ik lach en ik hou van een ander;
luister nog één keer: ik wil je niet meer.
Je laat me weten, dat je niet meer kunt leven,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Je dreigt dat je zelfmoord zult plegen,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Ik vind je fratsen...
Val een ander lastig met je grillen,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Het maakt me niet uit, of je nu leeft of sterft,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Ik vind je fratsen...
Je komt steeds langs en zegt dat je me wilt,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Je laat steeds van je horen en stuurt me brieven,
ik wil je niet meer, ik wil je niet meer.
Ik vind je fratsen...
27. BRUNETTE
Ik ben verliefd op een brunette
met hele lieve oogjes,
met fluwelen wangetjes
en koralen lipjes.
Ach, ik ben erg verliefd op je,
lieve brunette.
Ach, ik ben erg verliefd
op jou, lieve brunette.
Ik brand als een kaars
en smelt langzaam.
Heb meelij, brunette,
en kies toch voor mij.
Ach, je hebt m'n hart gebroken
en je kwelt me.
Ach, mijn lieve brunette,
je begint al om me te geven.
28. NAAISTERTJE
Pas geleden kreeg ik verkering
met een klein blondje.
Ze heeft slimme oogjes
en je moet weten dat ze naaister is.
Het is al een tijdje
dat ik van haar hou,
en nu komt het in me op
om naar haar moeder te gaan.
Ik zal haar het geheim vertellen,
dat ik in mijn hart draag:
jouw dochter zal
de mijne worden.
29. JE OOGLEDEN
Je oogleden glanzen
als de bloemen van het veld.
Je slaat je ogen neer,
je beneemt me m'n verstand.
Je oogjes, m'n zusje,
breken m'n hart.
Al geef je je ogen nog zo de kost,
als mij zul je er geen vinden.
30. ZWARTE OGEN, ZWARTE WENKBRAUWEN
Zwarte ogen, zwarte wenkbrauwen,
zwart, krullend haar.
Een gezicht blank als een lelie
en op de wang een kleine stip.
Zulk een schoonheid,
ben ik, lieve knapperd,
nog nooit tegengekomen
op de hele wereld.
Zwarte ogen, door jullie
ben ik gek geworden:
ik kan niet meer, ik ga dood,
want ik zal wegkwijnen.
De pijn sluit ik op
in het diepste van mijn hart,
als je me aankijkt met die ogen
van een mángissa, m'n licht.
31. IK BEN BANG JE TE VERLIEZEN
Hoe zal de nacht voorbijgaan
en hoe kan ik rust vinden?
Ik denk steeds aan jou,
want ik ben bang je te verliezen.
Ik heb veel vrouwen gekend,
maar voor jou ben ik bang:
want jij laat je hoofd op hol brengen,
en daarom kan ik niet slapen.
Die beklemming
vreet aan me en kwelt me.
Ik wou dat het ochtend werd,
want de slaap kan ik niet vatten.
32. ALS IK JE TWEE OGEN ZIE
Als we een afspraakje hebben
en je komt niet, baal ik daar erg van.
Maar als ik je twee ogen zie,
vergeet ik dat alles weer, mijn licht.
Wees toch niet koppig,
gemene, wrede kleine,
want met die grillen van jou
heb je me tot een dronkelap gemaakt.
Dag en nacht haal ik
in de kroeg door en drink:
van jouw twee oogjes, mángissa,
zal ik gek worden.
33. GEKKE DIAMANDO
Zeg, Diamando, mijn vrijster,
en mijn lieve, speelse meid,
kom, doe de deur open,
laat me binnen net als vroeger.
Hé, bemoei je niet met mij,
want het zal je bezuren;
als je een kerel bent,
doe me dan een genoegen...
Doe niet zo flauw, Diamando,
ik wil binnenkomen:
ik smacht naar je schoonheid
en je tedere kussen.
Ach kom, ga van me heen,
want ik ben nog steeds kwaad.
Ga maar bij een ander wonen
en laat mij met rust.
34. ONDER DE SCHOONHEDEN VAN ATHENE
Onder de schoonheden van Athene
is er een die harten breekt:
ze heeft zwarte ogen, zwart haar,
en op haar wang een kleine stip.
Ach, ach, ach, ik word gek:
sinds ik haar zag, heb ik het te kwaad,
en om haar huil en ween ik dag en nacht.
Ik word verteerd door de liefde in mijn hart
en zonder haar kan ik niet genezen.
Op een dag toen ik haar zag,
zei ik: 'Juffrouw,
kom, word mijn vrouw,
zodat mijn hart geneest.'
En ze zei tegen mij:
'Ik wil niet dat je van me houdt,
ik geef om een ander,
smacht niet meer naar me.'
En vanaf dat moment loop ik rond
als een geslagen man.
En tot mijn ziel mijn lichaam verlaat
zal ik wegkwijnen.
35. EEN MOOIE ZWARTHARIGE
Een mooie zwartharige, grillig en dwars,
kwelt me zo erg en doet uit de hoogte.
Ik zal haar op een avond aanspreken en vragen:
'Waarom ben je zo gemeen? Door jou word ik door vuur verteerd.'
Je krullende haar, je zwarte ogen
zouden in mijn armen elke brand blussen.
36. MONNIK
Ik heb genoeg van de meiden,
ik word bijna gek.
En daarom heb ik besloten
monnik te gaan worden.
Hoeveel ik ook verdiende,
ik had nooit een rooie cent:
aan hen gaf ik het uit
en liep dan weer platzak rond.
Moeilijkheden en gevechten,
feesten en ruzies:
geregeld schuimde ik rond
en kreeg ik de kous op m'n kop.
Nu zal ik m'n leven beteren,
ze hebben van mij een klaploper gemaakt:
maar nu word ik monnik
in een of ander klooster.
37. IN FALIRO, WAAR JE BAADT
In Fáliro* waar je baadt,
lijk je op een duifje.
Ik zag je gisteren in je badpak:
hallo, mooie Maria.
Aan zee aan het strand
lag je in de armen van een ander.
En mij keurde je zelfs
geen blik waardig, wreed hart.
* Fáliro is een aan zee gelegen wijk van Piraeus.
38. DE PRINSES
Een rijtuig komt langs
en de prinses
van wie ik hield
zit erin;
ze wordt omhelsd,
ze geeft er niet om,
de bedriegster.
Een rijtuig komt langs
met de mángissa
aan wie ik mijn leven
heb vergooid;
ze heeft me geruïneerd
en mijn leven
kapotgemaakt.
Een rijtuig komt langs
ach moedertje lief -,
hoe klopt
mijn hartje;
de prinses
van wie ik hield
gaat met een ander.
39. WAT ZEGT JE MOEDER?
Wat zegt je moeder over mij?
Want je praat steeds met betraande ogen tegen me.
Ze wil zeker dat je met een ander praat,
en dat je mij vergeet,
ze wil zeker dat je mij vergeet.
Let er maar niet op, ze zal me niet ontsnappen,
zij zal betalen voor wat er gebeurt.
Ik zal haar laten kermen,
pijn lijden, huilen en schreeuwen,
pijn lijden, huilen en kermen.
Wat zij wil, dat komt mij niet uit:
zeg haar dat ze zal sterven als het haar niet berouwt.
Maar wees niet bang: dat wat zij wil zal niet gebeuren.
Altijd zul je in mijn armen zijn,
altijd zul je in mijn. armen zijn.
40. POPPETJE
Kus me op de mond, ik hou het niet uit,
geef me een vluchtig kusje.
Ik hou zo veel van je, m'n kleintje, m'n poppetje,
ik ben weg van je wellustige kussen.
Ik hou zo veel van je, m'n kleintje, m'n poppetje,
m'n licht, je beneemt me de adem.
Wat slecht, Wat gemeen
ben je voor mij, diep in je hart:
je hebt me liefdesverdriet bezorgd,
een eeuwigdurend gemis.
Ach, die omfloerste blik van je
heeft me in vuur en vlam gezet;
je hebt m'n arme leven vergiftigd, m'n poppetje,
m'n licht, je beneemt me de adem.
Wat slecht, Wat gemeen
ben je voor mij, diep in je hart:
je hebt me liefdesverdriet bezorgd,
een eeuwigdurend gemis.
41. ZIGEUNERIN, LEG MIJ DE KAART
Zigeunerin, leg mij de kaart
en zeg me de waarheid:
zal het verdriet overgaan
dat ik in mijn borst heb?
Zeg me, de pijn van het hart,
zal die een beetje overgaan?
Of gaat mijn jeugd kapot
aan grote bitterheid?
Zigeunerin, met florijnen
zal ik je volhangen:
zal ik het meisje dat me afwees
weer terugkrijgen?
42. IK LIJD, HEB JE GEEN MEDELIJDEN?
Elke dag huilen
om jou mijn twee ogen
en mijn hart doet pijn
en breekt in stukken.
Hoor je niet dat ik zucht?
Moordenaar, heb toch meelij.
Nu feest je met een ander,
je bent vergeten wat je zei.
Je komt zelfs niet om te zien,
om te vragen hoe het gaat:
het enige wat ik van jou krijg
is een reden om te lijden.
Je hebt me gekwetst en gebroken.
Maar ik hoop dat 't jou hetzelfde vergaat:
dezelfde pijn in je hart
te krijgen en weg te kwijnen.
43. DE MINORE VAN DE DAGERAAD
Word wakker, m'n kleintje, en hoor
ergens de minore van de dageraad:*
voor jou is hij geschreven,
met een huilende ziel.
Doe je raam open,
werp me een lieve blik toe,
dan kan ik, m'n kleintje, bezwijken
in een hoekje voor je huis.
* De minore van de dageraad is een traditionele Griekse melodie waarop hartstochtelijke liefdesliederen werden geïmproviseerd.
44. CHATZIKIRIAKIO
Op een avond ging ik op pad
met een goeie vriend
naar Chatzikiriákio*
en naar Ajos Nilos.*
Daar zijn koele retsina
en mooie meisjes:
alleen kwellen die je
met hun grillen en streken.
Er is een donkere dame
die wel heel grillig is:
eerst gaf ze me zomaar kussen,
en nu wil ze niet meer.
En elke avond wacht ik nu
op straat tot ze voorbijkomt.
En als ik haar op een dag niet schaak,
dan mag de wereld vergaan.
* Chatzikiriákio en Ajos Nilos zijn wijken in Piraeus.
45. ELKE AVOND ZAL IK OP JE WACHTEN
Elke avond zal ik op je wachten,
en waarheen ik maar wil, zal ik je meenemen.
Ik wil van jou dat je van me houdt,
dat je de vlam die ik in mijn hart heb, dooft.
Waarom wil je, kleintje, dat ik zucht
en vloeken naar je hoofd gooi?
Als het waar is dat je uit Athene komt,
gedraag je dan ook netjes.
Als het waar is dat je uit Piraeus komt,
gedraag je dan ook goed.
Elke avond een afspraakje met mij,
en steeds zal ik van je houden, mijn schat.
Hou nou op en kwel me niet,
dan mag je zeggen wat je van me wilt.
46. JE HEBT ME BETOVERD
Als betoverd fladderen mijn gedachten steeds naar jou,
en alleen aan jou kan ik denken.
Zelfs in mijn slaap vind ik geen rust,
want steeds houd je me bezig, mijn kleine lady.
In een hoekje van de taverna verdrink ik mijn verdriet.
Om jouw liefde vergiet ik mijn tranen.
Heb meelij, m'n kleintje, en laat me niet alleen,
want je weet dat ik zonder jou wegkwijn.
Ach, speelse meid, houd op met je grillen,
en breek m'n hartje niet in stukken.
Ach, hoe gelukkig ben ik, als je me een blik toewerpt,
en je weet dat ik bij jou elke pijn vergeet.
47. GEWAARDEERD ARBEIDER
Honderd drachmen per uur verdien ik, schat;
zeg maar tegen je moeder dat ik met je wil trouwen.
Ik zal een huis voor je bouwen met allemaal balkonnetjes,
waarop jij dan voor mij je grillen en fratsen uit kunt halen.
Jij zal visjes voor me bereiden en bietjes met knoflooksaus,
en alle avonden zullen we feesten, met retsina en violen.
Van je één twee hupsakee, koop ik een canapé.
Van jou vraag ik een gunst, mijn pop: zeg 'ja'.
48. NON
Ik heb genoeg van de wereld.
Ik zal non worden,
en op een hoge berg
in mijn eentje gaan wonen.
In het zwart zal ik
mijn lijf voor altijd hullen:
misschien zal ik dan de vlam
die ik in mijn hart heb, blussen.
Ik zal non worden
en in het klooster gaan,
en ik zal deur en raam
voor altijd opgeven.
Ik zal een overste zoeken
die op mij lijkt:
en ik zal om haar huilen,
en zij om mij.
49. GISTERAVOND
Gisteravond in de taverna was ik in gedachten,
Gezeten in mijn hoekje, melancholisch.
Ik vulde mijn glaasje maar en dronk
En ik dacht aan hoe ik was en hoe ik ben geworden.
Ik leidde een onbezorgd leven voor ik je kende
Voor je een vuur in mijn hart aanstak.
Ik zit nu in de taverna wegens jou,
Ik drink maar mijn denken draait om jou.
De mijnen en mijn vrienden zijn me kwijt
En de lach is op mijn lippen verdwenen.
De taverna is mijn enige gezelschap
En over jou wil ik niet meer horen.
93. MOORDENARES
Zonder hart dacht ik niet dat je was.
Als een kaarsje heb je me opgebrand,
zonder meelij.
Waarom vergiftig je mijn hart zo gemeen,
je neemt me mijn ziel af,
ach slechte moordenares,
al het verdriet van de wereld
dien je me toe.
Elke keer als ik je zie wil ik je vragen:
kan je me niet zonder verdriet laten leven?
Maar jij, kwade heks, wilt het niet,
je wilt een gif vinden en me vergiftigen,
ach , slechte moordenares, sluw en listig
zul je me aan de Dood uitleveren.
94. IK ZAL EEN MOORD BEGAAN
Zeg me kwade heks
wat heb je gedaan?
Want ik kan geen moment
meer zonder jou.
Ik heb nergens zin meer in,
verdriet heb ik om jou, die ik bemin.
Al zal ik een moord begaan,
ik zal je niet laten gaan:
of ik zal je krijgen
of ik zal ten onder gaan.
95. MEISJE UIT PASALIMANI
Ach, Pasalimaniótissa,
in jouw armen wierp mij het verdoemde lot.
Je hebt in mij een vuur aangestoken
een verdriet in mijn hoofd
en een wonde die niet groter kan worden.
In de hasj-tenten rook ik de hele tijd
want ik word ziek van de liefde:
je hebt me gek gemaakt.
96. MEISJE UIT PANGRATI
Mooi meisje uit Pangrati,
voor jou doet mijn hart pijn,
en mijn borst, mijn kleintje,
en ik heb een diepe wonde in mijn binnenste.
Door die zoete, Arabische ogen
ben ik gek geworden.
Heb meelij, Pangratiótissa,
waarom zou je willen dat ik sterf ?
Laat me in jouw warme omhelzing
met een zoet kusje beter worden.
97. IN PODONIFTIS
In Podoniftis is een mooi, klein,
en slim, verleidelijk meisje.
Haar schoonheid heeft me gek gemaakt,
maar haar schalkse blik zal me nog eens doden.
Deze lieverd feest met een andere man
en vergeet mijn kussen,
ach, mijn kussen vergeet ze.
Ach, Podoniftissa,
ik zing voor je deur vol verdriet,
de hele nacht en ik ben opgebrand voor jou.
98. EEN TIJDVERDRIJF
Wat je zegt gaat langs me heen
Je sprookjes heb ik nou door
Ik begrijp wat ik was voor jou:
Een tijdverdrijf om de tijd mee te doden
Elke zoen van jou vind ik nu bitter
En m'n verdriet kun je niet laten overgaan
Want heel vals ga je met mij
Om een ander te veroveren.
Omdat je het wil, ga maar weg,
En laat dat gejank en gezeur,
En als je met die ander bent
Zeg dan niet dat je mij als tijdverdrijf had.
99. ELA DIMITROULA
Als ik je zie, Dimitroula,
Begin ik meteen te beven
En als een atoombom
Verlies mijn verstand.
Kom, Dimitroula, voordat ik helemaal gek word
Ik loop als een gek rond
In de stegen sta ik te huilen
Om je toevallig te ontmoeten,
Om twee kusjes van je te krijgen.
Ik heb besloten
om je moeder te ontmoeten
Om over trouwen te praten
Met een priester en getuigen.
100. IK ZAL BEKERS BREKEN
Ik zal bekers breken om wat je zei
en glazen om de bittere woorden.
Vannacht zag ik in een droom
dat je je haar op mijn hals liet vallen.
101. MAN UIT KONYA
Man uit Konya, als ik je zie op de markt,
en je snijdt me pekelvlees en worst met een grap,
o, Konyalí, met je mes veroverde je mijn hart,
zonder jou kan ik niet meer leven.
O, Konyalí, ik wil feestvieren,
in de taverna met ouzo, pekelvlees en worst.
Laten we dronken worden en ik word de jouwe,
en praten en we zullen samen verdergaan.
106. IK WIL JE ONGELUK NIET
Ik had nooit verwacht,
dat je weg zou gaan en me laten zitten
je koffers te pakken en elders gaan wonen
en wees niet bang als je spijt hebt
kom dan bij mij terug.
ik haat je niet al heb je me verlaten
en prent het in je hoofd
al heb je je ondankbaar betoond,
ik wil je ongeluk niet …
Als je op het pad dat je gaat
bedrogen uitkomt,
denk dan aan een hart,
dat altijd op je wacht.
107. DE JALOEZIE
Heb je last van
mijn vreselijke jaloezie?
alleen wie liefheeft,
ach, is jaloers.
Wil niet dat ik er niet om geef,
en ik naar andere vrouwen kijk
en wat je doet en wat je zegt,
me onverschillig laat.
Haal niet alles door elkaar,
als je het beste wil.
alleen wie liefheeft,
ach, die is jaloers.
108. SLECHTERIK
ik wil niet meer dat je komt
zonder dat je moeder het weet,
voor mij, de slechterik,
die je naam zou dragen.
ik verkocht je gevoelens
ik had je een jaar
maar ik zag je liefde,
en nu heb ik berouw.
ik, de slechterik, zal weggaan
om je niet tegen te komen:
hou je hart maar vast, mijn licht,
want ik ben je niet waard.
THEMA LEVEN VAN ALLE DAG
De rebètika-teksten schetsen allerlei scènes uit het dagelijks leven, dingen die bij het leven horen: lokale gebeurtenissen, het werken voor de kost, een overspelige vrouw, de dood.
De manges waren levensgenieters, hielden van de goede dingen des levens: mooie kleren, mooie vrouwen, dans en goede muziek. Om deze manier van leven te kunnen bekostigen, zagen veel manges zich wel genoodzaakt te gaan werken. De teksten spreken op een positieve, waarderende manier over de verschillende beroepen.
Niet alle manges verdienden hun geld met zweet. Maar veel van ons hadden zwaar werk en met ons zweet verdienden we ons brood en konden we doen waar we zin in hadden. Ik hield bijvoorbeeld - zoals iedereen trouwens - nogal van mooie kleding.
(Markos Vamvakaris)
Inhoud:
50. Bike o chimonas – De winter is begonnen
51. Sinnefiasmeni kiriakí – Bewolkte zondag
52. O psarás – De visser
53. Thermastís - Stoker
54. Plimmira - Overstroming
55. Kapilió – De kroeg
56. To sakaki – Het jasje
57. Stou Linardou tin taverna – In de taverna van Linardo
58. Politechnitis – Markos’ twaalf ambachten
59. I Eleni i zondochira – Eleni, de onbestorven weduwe
60. Iliovasílema sostó – Een echte zonsondergang
61. To portofoli – De portemonnee
102. I psarades – De vissers
50. DE WINTER IS BEGONNEN
De winter is begonnen en de mensen zijn van streek:
ze moeten een nieuwe winterjas hebben.
Maar dat de mijne versleten is,
daar kan ik me niet druk over maken.
Als iedereen bibbert van de kou,
lig ik heerlijk in jouw armen;
en als het haardvuur bij ons uit is,
houden jouw lieve kussen me warm.
En al steken we de kachel niet aan,
toch zal het warm zijn in jouw armen:
de beste verwarming zijn jouw kussen,
als we bij elkaar liggen, m'n pop.
We hebben ook geen licht nodig,
want wij beidjes zullen het heerlijk hebben,
we zullen om negen uur gaan slapen,
en merken niks van noordenwind of kou.
51. BEWOLKTE ZONDAG
Bewolkte zondag,
je lijkt op m'n hart
dat altijd betrokken is,
O, Christus en Maria.
Je bent een dag als die ene,
toen ik m'n vreugde verloor.
Bewolkte zondag,
je doet mijn hart bloeden.
Als ik je regenachtig zie,
vind ik geen moment rust.
Je maakt m'n leven zwart
en ik zucht diep.
52. DE VISSER
Waarom wil je me niet, juffrouw?
Omdat ik een visser ben?
Ik ben een beetje vrijgevochten
als visser en zeebonk.
Denk je dat je het met mij
niet fijn zult hebben?
Ik heb een kleine boot
met riemen en een zeil,
en ik vis elke nacht
in m'n eentje met de lijn.
En de vis die ik vang,
verkoop ik op de markt.
Lach niet als je ziet
dat ik op blote voeten loop.
De vrouw die ik zal hebben,
daar zal ik goed voor zorgen
en al haar wensen zal ik vervullen,
al ben ik maar een visser.
53. STOKER
De machinist aan de machine,
de stuurman aan het wiel,
en de stoker in het ketelhuis
ruziet met de vlammen.
Hou vol, mijn stokertje,
en gooi je scheppen
in je keteltje,
zodat het vuur blijft branden.
Boordevol schoppen en staven,
zal ik de golf van Biskaje oversteken
en in de wateren van Cardiff
zal ik voor anker gaan.
Maar vuur is vuur,
en vuur is verzengend,
en de zee heeft
mijn binnenste zwart gemaakt.
54. OVERSTROMING
Tijdens de overstroming van dit jaar
zocht ik het hogerop,
en ik zag een moeder schreeuwen,
steunen en kreunen:
'Mijn baby, mijn kleine kind!
Neem mijn leven, maar red het zijne!'
Ik sprong in het water om het kind te redden,
en bracht het er bijna niet levend vanaf.
De stroom sleurde me mee,
o moeder, het is geen leugen.
In de stroom probeerde ik te zwemmen,
maar ik kon het kind niet redden.
Toen ik terug aan wal kwam,
zaten er twee kinderen en een oude vrouw
bovenin een boom:
zij hadden zich zo gered.
Peristeri* en Moschato
zette het op z'n kop,
Kamínia en Ajá Sotira,
alles zette het onder water.
* Peristeri, Moschato, Kamínia, Ajá Sotira zijn wijken in en om Piraeus.
55. DE KROEG
De nacht is ijskoud
en het regent een beetje
en aan de overkant
komt licht uit de kroeg.
Een dronkelap zonder duiten
zit buiten de kroeg
in gedachten
voor het lage deurtje.
Hij wil ook naar binnen
en met drinken beginnen,
maar het is een arme kroeg
en die geeft geen krediet.
56. HET JASJE
Het toeval bracht hem ertoe een jasje te stelen;
hij trok het aan en ging naar Karaïskaki.
Tot zijn ongeluk kwam net de eigenaar eraan;
die trok aan hem en schreeuwde dat het van hem was,
die trok aan hem en zei dat het van hem was.
Ze pakten die mangas en sloegen hem op z'n gezicht,
ze sloegen hem verrot en brachten hem naar de gevangenis.
Sla hem toch niet, mensen, om een oud jasje:
hij wilde het verkopen om een pijpje te roken,
hij wilde het verkopen in Karaïskaki.
57. IN DE TAVERNA VAN LINARDO
In de taverna van Linardo
zie je moderne mensen:
daar komen stuk voor stuk
de sterren van de taverna.
Daar zitten de Papaver,
de Ton en de Walvis;
de Luiaard, de Knoflook,
en Knor de Vleeshaak.
Daar zit ook juffrouw Angelo
met haar zwarte voile,
en dan Fotiní, de feestneus,
die na haar eerste glas dronken is.
Daar zit ook Stamáta,
die dronken wordt en borden breekt,
en verder juffrouw Pipina,
die drinkt een retsina.
Daar zitten de Decaliter,
de Selderij en Aubergine;
en ook de Haring en de Peer,
de Tabacos en de Kraan.
En daar zitten de Augurk,
de Vleessoep en het Monster,
en ook nog de Radijs,
Boontje en Paardenworst.
Wie zou niét dronken worden
op een dergelijk feest?
De een danst en zingt,
de ander is uit op liefde.
De een drinkt en betaalt,
de ander drukt zijn snor.
Zeg, Linárdo, herbergier:
gooi de rekening maar weg.
58. MARKOS'* TWAALF AMBACHTEN
Luister naar al de beroepen die ik heb gehad:
als ik eraan denk, dan moet ik huilen.
Al de beroepen die je hebt gehad, maar één ding heb je niet gedaan:
je hield van mij en hebt me niet getrouwd.
Ik werkte in een spinnerij en maakte pakjes,
de meisjes brachten me draad en garen.
De meisjes brachten je draad en garen,
maar je dacht niet aan mijn verdriet.
Ik vond het werk niet leuk en zocht iets anders,
en ik werd leerling bij een dikke kruidenier.
Je werd leerling bij een dikke kruidenier,
want hij had een mooie dochter en een groot kapitaal.
Drie dagen bleef ik daar, maar ik wilde weer weg,
kranten verkopen en over straat zwerven.
Al verkocht je kranten en zwierf je over straat,
je trouwde de dochter en mij joeg je weg.
's Avonds pakte ik dan nog m'n kistje op,
alleen de wijkaarsen van Sint Joris droeg ik niet.
Al werd je schoenpoetser, straat joch en zwerver,
je moet bedenken dat je mij niet hebt genomen.
* Markos Vamvakaris, de 'vader' van de rebètika.
59. ELENI, DE ONBESTORVEN WEDUWE
Eleni, de onbestorven weduwe,
had verdriet, de zielenpoot:
haar man was een grijsaard,
de arme meid hield het niet uit.
Elke dag zuchtte ze
en spuwde ze vlammen:
ik ben jong en het past niet
dat een grijsaard me omhelst"
Ze maakte het bekend en zei:
wat moet ik doen, en ze huilde zonder end.
De kruidenier had meelij:
elke nacht dacht hij aan haar,
Ook de groenteman kwam langs,
hij bleef staan en troostte haar:
zo wilde het lot, Eleni,
dat je onbestorven bent.
Toen het kappertje het hoorde,
kwam hij enthousiast aanlopen:
kom maar hier, Heleentje,
ik zal je wel opbeuren.
Toen het slagertje het hoorde,
stuurde hij een lammetje:
bak het met spinazie,
want ik kom vanavond langs.
60. EEN ECHTE ZONSONDERGANG
Een echte zonsondergang, vlak voor het donker wordt.
Ik ga gebogen mijn weg, omdat het verdriet me verteert.
Grijs is mijn haar geworden en mijn lichaam krom,
en het verdriet schoot wortel, diep in mijn ziel.
Pijnen treffen me, verdriet kwelt me
en elke dag die voorbijgaat, brengt me verder van mijn jeugd.
Toen het kappertje het hoorde, kwam hij enthousiast aanlopen: kom maar hier, Heleentje,
ik zal je wel opbeuren.
Toen het slagertje het hoorde, stuurde hij een lammetje: bak het met spinazie,
want ik kom vanavond langs.
61. DE PORTEMONNEE
In de huidige wereld,
dat weet iedereen,
heeft de mens macht
door zijn portemonnee.
Als ze zien dat je een
portemonnee op zak hebt,
noemen ze je een gentleman,
noemen ze je een nette vent.
Je vrienden willen je
en ze komen naar je toe,
alleen als ze merken
dat je een portemonnee hebt.
De portemonnee - wat wil je ook -
heeft een grote charme:
op elk moeilijk moment
kun je je mannetje staan.
102. DE VISSERS
In de haven kwam weer de vissersboot binnen,
vol met verse vis, skoumbrí en kalamari.
De boot is van stoere vissers.
Als de vangst verkocht is gaan ze feestvieren in de taverna.
Ze drinken, dansen prachtig, en ze vragen aan de muziek
Om een buikdansnummer.
THEMA DOOD
Inhoud:
62. Mes stis Pendelis ta vouná – In de bergen van Pendeli
63. Mana mou, me skotósane – Moeder, ze hebben me gedood
64. Pende Éllines ston Adi – Vijf Grieken in de hel
65. Enas alitis péthane – Een zwerver stierf
66. Vjike o Charos na psarepsi – De Dood ging vissen
67. Sta pevka ke sta élata – In de pijnbomen en de dennen
68. Ton Charo ton andámosan – De Dood ontmoetten
69. Tou Votanikoú o mangas – De mangas van de Botanikós
70. O Kávouras - Kávouras
71. Chaidari - Chaidari
72. San pethano - Als ik sterf
62. IN DE BERGEN VAN PENDELI
In de bergen van Pendeli*
zwerf ik tussen de dennen.
Ik zoek de Dood,
al ken ik hem niet.
Op een mooie ochtend
ontmoet ik de Dood
in de bergen van Pendeli
en ik zeg hem met pijn:
'Dood,' zeg ik, 'laat me
nog een beetje leven:
ik heb een vrouw en kinderen - ach moeder -,
zeg me, hoe kan ik ze achterlaten?'
Hij kijkt me aan en glimlacht
en ik begin al te bezwijken.
Dan zegt hij met luide stem:
'Ik neem je mee, ik laat je niet gaan.'
* Bergrug ten oosten van Athene.
63. MOEDER, ZE HEBBEN ME GEDOOD
Moeder, ze hebben me gedood:
twee messteken gaven ze me,
zij die jaloers op me waren
en die mijn ongeluk wilden.
Huil om me, moeder, huil om me,
nu ik zal sterven,
en kom elke zondag
naar mijn graf.
Ik wil dat jullie beiden komen,
jij en mijn broer,
en ontroostbaar huilen
om mijn onnodige dood.
Laat mijn twee broertjes,
als ze groot zijn,
de moordenaar zoeken
en hem doden.
64. VIJF GRIEKEN IN DE HEL
Vijf Grieken in de hel
zochten mekaar op.
Ze braken de boel af
en begonnen te feesten.
Met bouzouki’s en baglamassen
maakten ze de duivels gek,
en dronken van vreugde
dansten ook de verdoemden.
Met het Griekse lied
ging de bijl erin
en ze riepen altegaar:
lang leve Griekenland!
65. EEN ZWERVER STIERF
Er stierf een zwerver
op het pleintje in het park,
en geen oog werd vochtig,
geen hart werd verscheurd.
Dus wie heeft de schuld:
de vervloekte wereld.
Door een beschuldiging
van één of andere misstap
gingen zijn vrienden hem haten,
alle deuren gingen dicht.
Dus wie heeft de schuld:
de vervloekte wereld.
Er stierf een zwerver
gister laat in de schemer.
De Dood omarmde hem
toen hij hem ontmoette.
Dus wie heeft de schuld:
de vervloekte wereld.
66. DE DOOD GING VISSEN
De Dood ging vissen
Met een haakje, naar zielen.
En hij zoekt gewonden,
ongelukkigen en gepijnigden
in de arme buurten.
De Dood viste naar zielen.
Zeg, gekwelde lijven,
zoek vanavond de stegen op
zodat de Dood ons treft,
die we op aarde respecteren,
om uit de nachtmerrie verlost te worden.
Zoek vanavond de stegen op.
Met zijn zwarte wade
gaat de dood de hoek om.
Neemt elkaar bij de hand
om hem op te wachten,
wie de wade maar zal kiezen.
De Dood gaat de hoek om.
67. IN DE PIJNBOMEN EN DE DENNEN
Ik ben de jeugd niet zat,
ik wil niet sterven.
Ik ben verwelkt als een bloem
en ik kan niet beter worden.
Ik zie de bladeren van de bomen
verdord vallen
en als ik ze zie, denk ik
hoe ze op mij lijken.
In de pijnbomen en de dennen
zeiden ze dat ik beter zou worden.
Daarom ben ik naar de Párnitha gegaan
om van mijn pijn te genezen.
Daarom ben ik naar de Párnitha gegaan
tot boven op de top.
68. DE DOOD ONTMOETTEN
De Dood ontmoetten
vijf, zes hasjrokers
om hem te vragen hoe
de gebruikers het stellen.
Zeg ons Dood,
in je zwarte duisternis,
hebben ze hasj, waterpijp,
de jongens in de Hades?
Zeg ons, hebben ze baglamás,
genieten ze van de pijp
stampen ze de pijp aan
om het spul te roken?
Zeg ons, hebben ze vriendinnen,
genieten ze van de pijp,
maken ze de pijp klaar
om hasj te roken?
Neem twee gram hasj van Proussa
en vijf geurige hasj
en geef ze om te roken,
onze vrienden daar beneden.
69. DE MANGAS VAN DE BOTANIKOS
De mangas van de Botanikós
stierf op zondag.
De meisjes huilden om hem
en alle hartsvrienden
De mangas uit de Botanikós,
de beste kerel;
in de tenten en taverna’s
zal niemand hem meer zien.
Altijd feestte hij heerlijk
en hij deed geen kwaad
en allen hielden van hem
in de Botanikos.
De mangas van de Botanikós
had een mooi verleden;
in de tenten en taverna’s
zal hij voor altijd ontbreken.
70. KAVOURAS
Waar ben je arme Kávouras,
om zoet voor ons te zingen,
om mooie liederen te kiezen,
om ons een plezier te doen.
Piraeus en Kokkiniá,
Kalívia en Elefsina
huilden toen ze ’t hoorden,
dat je diep, diep in het graf ligt.
We vergeten je niet, Kávouras,
de uren dat we feesten.
We luisteren naar je liederen
en we kijken de kunst van jou af.
71. CHAIDARI
Ren, moeder, zo hard je kunt,
ren om me te redden
en uit Chaidari, moeder,
me te bevrijden.
Want ik ben ten dode gedoemd
en veroordeeld,
een jongen van zeventien jaar,
in de boeien geklonken.
Van de Sekerí-straat
brengen ze me naar Chaidari.
Van uur tot uur wacht ik
tot de dood me haalt.
72. ALS IK STERF
Moeder, mijn borst doet pijn
en ik zucht,
dit jaar red ik niet.
Als ik sterf, moeder,
praat met de buurvrouw,
zeg haar dat ik voor haar sterf,
ach, en in de Hades afdaal.
Dat ze me wast en me kleedt,
een kaarsje voor me opsteekt,
dat ze om me huilt
en mijn lichaam begraaft.
Moeder, de dokters zeiden
dat ik tering heb:
de hoest zal niet overgaan.
THEMA GEVANGENIS
De manges kwamen als gevolg van hun leefwijze gemakkelijk in aanraking met de arm der wet. Hasjgebruik en diefstal waren goed voor kortere gevangenisstraffen, maar veel manges draaiden hun hand ook niet om voor moord: hun grote eergevoel noodzaakte hen zelfs de kleinste belediging te wreken. Het is dus niet verwonderlijk dat veel rebètika-liederen het gevangenisleven bezingen.
De rebètika-liederen geven een karikaturaal, idyllisch beeld van het bestaan in de gevangenis: je zou er op je gemak je waterpijp kunnen roken, met aardige cipiers om je heen. Ja, ze steken zelfs je pijpje voor je aan en willen graag dat je bouzouki voor hen speelt. In werkelijkheid was het leven er hard en waren waterpijpen en muziekinstrumenten verboden. En alleen de baglamás was klein genoeg om binnengesmokkeld te kunnen worden. Maar de mangas bagatelliseert het gevang, een gevangenisstraf doet hem niks. Spijt van z'n daden heeft hij niet, gezeten hebben is iets om trots op te zijn.
Toen Markos Vamvakaris acht maanden in voorarrest zat, kwam hij in aanraking met manges die voor moord vastzaten. Hij vertelde over hen: 'Ze doodden uit liefhebberij, en zeiden: "Ik zal iemand vermoorden, ik ga tien jaar zitten en ik ben weer vrij." Zo'n mentaliteit hadden ze.'
Inhoud:
73. Pende chrónia dikasmenos – Vijf jaar bajes
74. Lachanades – ‘Kolenmannen’
75. Dió manges mes sti filakí – Twee manges in de gevangenis
76. O lathrémboros – De smokkelaar
77. O isovitis - Levenslang
78. I filakés tou Oropoú – De gevangenis van Oropós
73. VIJF JAAR BAJES
Vijf jaar bajes
in de Jendí-Koulés;*
van het vele chagrijn
ging ik aan de waterpijp.
Stamp hem aan en steek hem aan,
blaas, zuig en trek eraan.
Kijk uit voor die kinkels,
de bewaarders van de bajes.
En ook al vijf jaar
door jou vergeten;
als troost stopten de manges
mij de waterpijp.
Stamp hem aan en steek hem aan,
blaas, zuig en trek eraan.
Kijk uit voor die kinkels,
de bewaarders van de bajes.
Nu ik ontslagen ben
uit de Jendi-Koulés:
vul onze waterpijp, makkers,
en laten we 'm roken, zeg.
Stamp hem aan en steek hem aan,
blaas, zuig en trek eraan.
Kijk uit voor die kinkels,
de bewaarders van de bajes.
* Turkse naam voor Eptapírjio, 'zeven torens':
de gevangenis in de bovenstad van Thessaloniki.
74. 'KOLENMANNEN'
Bij de Lemonádika*
was een opstootje:
ze pakten twee 'kolenmannen',
die van de prins geen kwaad wisten.
Ze sloegen hen in de boeien
en brachten hen naar de bajes.
En als de 'kool'** niet gevonden wordt,
wat zullen ze dan een slaag krijgen!
Meneer de agent, sla ons niet,
want jij weet toch ook
dat dit ons werk is,
vraag nu niet ook je deel.
Wij eten de 'kool',
wij pikken de 'pantoffels',***
zodat de poorten van de bajes
ons geregeld zien.
De dood maakt ons niet bang,
dat doet alleen de honger,
dus daarom pikken we de 'kool'
en daar varen we wel bij.
* Letterlijk: de 'citroenwinkels', een buurtje bij de haven
van Piraeus. * Portemonnee. * Portefeuilles.
75. TWEE MANGES IN DE GEVANGENIS
Twee manges in de gevangenis
zochten ruzie met de directeur
om 'm een toontje lager te laten zingen
en te doen wat ze zelf wilden.
Speel, mangas, de bouzouki
en laat de hasj de hasj.
Ik wil dat de bouzouki huilt
en van mijn verdriet vertelt.
Als ik vrijkom, mangas,
zal ik wat voor je regelen:
ik zal de kleine meid overhalen
om je alles te brengen.
Ik zal je ook hasj sturen
vanuit Karaïskáki:
pas op dat ze haar niet pakken
en op het bureau opsluiten.
Ik zal snaren naar je sturen
voor je baglamás;
zeg niks en wees stil,
ik zal je ook geld bezorgen.
76. DE SMOKKELAAR
Door een valse streek hebben ze me gepakt
en onterecht veroordeeld,
omdat ik omging
met smokkelaars in Piraeus.
De aanklager lapte me
een strafblad aan m'n broek.
En de rekening bedroeg:
gevangenisstraf en verbanning.
Breng hem, zei hij, regelrecht
voor vijf jaar naar Singroú*
en voor nog eens drie naar Anafi:**
dat zal die smokkelaar leren.
Gezworenen, u hebt me een streek geleverd,
maar het was vergeefse moeite,
want wij zijn manges,
al die smokkelen.
* Een gevangenis aan Singroú, een grote weg in Athene.
** Een klein eiland van de Cycladen, waar bannelingen heen gestuurd werden.
77. LEVENSLANG
Levenslang sloten ze me op in de gevangenis voor jou,
zo'n groot verdriet heb je mij bezorgd.
Jij bent de oorzaak van dit kwaad,
dat kommer en kwel me omgeven.
Ik ga nu in beroep en misschien kom ik dan vrij,
gemene moordenares, dan zal ik je in mootjes hakken.
Ik zal je met olie overgieten en daarna verbranden
en in een droge put zal ik je gooien.
Zeven keer levenslang mogen ze me dan geven
en aan de galg van Náfplion* mij daarna hangen.
Jury en rechters kreeg je zover, - hen misleidde je met je schoonheid
en ze gaven me levenslang, wat jouw bedoeling was.
Door jouw intrige raakte ik in de gevangenis,
je kreeg me zover dat ik nu levenslang heb;
maar als ik vrijkom, komt de grote wraak:
zo, als Achilles Hector achter zijn kar aansleepte.
* Stad met een gevangenis op de Peloponnesos nabij Mycene.
78. DE GEVANGENIS VAN OROPOS
In Oropós* hebben we het best,
beter nog dan in Athene.
Dinsdag en donderdag spaghetti,
zo houdt de mangas het jaren uit.
En 's zondags is er vlees,
en de kapper is gratis.
Op de eerste zaal de niet-rokers,
op de tweede zijn ze stoned,
op de derde de stoere binken,
op de vierde de vechtersbazen,
op de vijfde de hele smokkel,
op de zesde de vervalsers,
op de zevende de hasjkitbazen,
op de achtste alle zieken,
en op nummer tien
verdwijnen ze allemaal.
* Een dorp in het district Attiki (Attica).
THEMA SATIRE
De teksten van de rebètika zijn over het algemeen licht ironisch van toon. Een zekere superioriteit tegenover de tegenslagen in het leven
strookt met het zelfbewustzijn, de trots en de ideologie van de manges.
In de rebètika-liederen die uitgesproken satirisch van toon zijn, wordt flink uitgehaald naar bepaalde toestanden: de zucht naar luxe, de behaagzucht van de vrouw, de dronkaard en het nutteloze van het parlement. Deze onderwerpen typeren de mangas. Hij is immers iemand die zijn geld laat rollen, zich niet door de grillen van een vrouw laat leiden, neerkijkt op dronkaards en zich niet bezighoudt met politiek: politiek is een deel van die samenleving waar hij buitenstaat.
Inhoud:
79. Ísouna xipóliti – Je liep op blote voeten
80. Koróïdo - Sukkel
81. Egó thelo pringipessa – Ik wil een prinses
82. Ímouna mangas miá forá – Ooit was ik een mangas
83. O Markos ipourgós – Markos minister
103. Ta leftá den ta thelo - Ik wil je geld niet
104. I Lili i skandaliara - De schandalige Lily
105. Koróido ádika girnás - Je loopt voor gek
79. JE LIEP OP BLOTE VOETEN
Je liep op blote voeten en zwierf over straat.
Nu ik je genomen heb, wil je lakeien.
Je liep op blote voeten en verdiende geeltjes.
Nu ik je genomen heb, wil je honderdjes.
Je was zonder geld en je plukte wilde sla.
Nu ik je genomen heb, wil je oorbellen.
Duizend jaar straf gaf ik de Dood,
om voor altijd met je te kunnen genieten.
Je liep op blote voeten en voerde de kippen.
Nu ik je genomen heb, wil je vliegen.
Ik knoeide met m'n dobbelstenen en ik kreeg een vijf en een zes.
Kijk de smerissen in de hoek hebben maar twee vijven.
80. SUKKEL
Je hebt gedronken en je bent zat,
wat wil je ons bewijzen?
Je ziet je eigen blindheid niet - sukkel -,
je bedreigt ons alleen maar.
Hoeveel schoppen zul je nog krijgen,
omdat je altijd de bink uithangt
en zonder reden - sukkel -
de hele wereld uitscheldt.
Zonder iets te bereiken,
maar je moet zonodig,
is elke dag - sukkel -
je hoofd bont en blauw.
81. IK WIL EEN PRINSES
In Griekenland kan ik geen vrouw vinden:
er zijn er veel knappe, maar moeder, wat zijn ze arm!
Ik wil een prinses uit Marokko,
met een smak geld, kijk da's nog eens 'n vrouw.
Vorig jaar was ze hier, en ze zocht een man,
zonder dat ik het wist, wel hemeltje lief!
Ze zag me in Piraeus, bij Tzelépis* met een paar vrienden,
en sindsdien houdt ze van me en ze stuurt me ook nog geld!
Ze zal me koning maken in het verre Arabië
en al haar bezit zal ik krijgen, wel hemeltje lief!
Honderd wagons met gouden ponden, cocaïne en hasj,
alle soorten waterpijpen, helemaal met diamant bedekt.
Ze zal me een baglamás geven en ivoor, en goud,
en wat ik verder maar wil, wel hemeltje lief!
Vijfhonderd derwisjen zullen de waterpijpen klaarmaken,
zodat we fijn kunnen roken in ons gouden vertrek.
* Het café van Tzelépis bevond zich aan het Karaïskáki-plein in Piraeus.
82. OOIT WAS IK EEN MANGAS
Ooit was ik een mangas met aristocratisch bloed,
nu ga ik les geven als Socrates de filosoof.
Paris zal ik worden en Helena schaken,
en Menelaos laat ik zitten met een gebroken hart.
Toen ik je voor het eerst zag, wilde ik Heracles zijn,
en je de kop van de Lernaeïsche Hydra brengen.
Wat wil je nog meer dat ik doe voor je liefde?
Jij, met jouw hoofd, zou nog om een Xerxes vragen.
83. MARKOS* MINISTER
Allen die premier worden zullen doodgaan:
omdat ze het zo goed doen, jaagt het volk ze weg.
Ik stel me kandidaat om premier te worden,
om te luieren, te eten en te drinken.
En dan ga ik naar het parlement om ze te commanderen,
om ze een waterpijp te stoppen en om ze stoned te krijgen.
* Markos Vamvakaris, de 'vader' van de rebètika.
103. IK WIL JE GELD NIET
Je geld wil ik niet
hou op van me te houden
heb ik je het niet tien keer gezegd
hee dure meneer.
Ik wil een visboertje van de markt
met een weegschaal en visjes
zo'n lekker kereltje dat ik begeer,
kan ik toch niet negeren?
ik wil je huizen niet,
je geld , je luxe
je krijgt me niet
met al je fooien.
Ik wil een visboertje van de markt
met een weegschaal en visjes
zo'n lekker kereltje dat ik begeer,
kan ik toch niet negeren?
104. DE SCHANDALIGE LILY
Het zegt me niks
Datje bekend bent
En speel niet de harde jongen
Want het staat je niet.
Ik ben een vrije vrouw
Lily, die schandaal maakt
Die geen cent om manges geeft
En niks voor zoete koek slikt.
Zeg, ga toch heen
Kijk maar ergens anders
Betaal mijn rekening niet
Ik ben te trots
Ik ben niet bang voor messen,
Je kralenkettinkje
En de hasj, hoeveel je ook rookt,
Zeg kerel, je krijgt me niet.
Is het jouw zaak of ik uit Piraeus kom
Of uit Kokkinia
En of ik drink en omga
Met de hele wereld.
105. JE LOOPT VOOR GEK
Je loopt voor gek
Voor mijn huis langs
Ik ben een genietster
En ik wil een mangas als minnaar.
Ik wil dat hij hasj rookt
En door mij in hogere sferen raakt
Slim als een vos is,
En dat hij me af en toe slaat.
Hij moet een genieter zijn
En een beetje gewelddadig
En recht voor zijn raap
Overal waar hij komt.
Dat hij een ster in het dansen is
En dat hij veel vriendinnen heeft
In alle soorten en maten
En dat hij van mij houdt.
THEMA EXOTISME
Altijd is er in de rebètika de fascinatie voor de droomwereld die in het oosten ligt. Er wordt een prikkelende duizend-en-een-nachtsfeer opgeroepen: een pasja die een harem bezit en elke nacht een andere vrouw kan kiezen, het geheimzinnige van de harem, de prachtige lichamen van de meisjes. Schitterende kleuren, prachtige stoffen, fraai houtsnijwerk, fijne reukwerken, klaterende fonteinen, slaven en slavinnen en de rijke schatkamers van het serail laten zich er makkelijk bij denken.
De zigeunerin heeft ook het mysterieuze van 'het oosten', waar haar volk oorspronkelijk vandaan komt. Zij is in de rebètika-liederen de actieve verleidster. Door haar bonte kleren, haar uitdagende manier van bewegen, haar charme en haar directe benadering van de mannen, brengt ze hen het hoofd op hol. Ze wekt de indruk een losse moraal te bezitten, en staat daardoor voor een vrijere vorm van erotiek.
Inhoud:
84. Kaïxís - Schipper
85. Atsingana - Zigeunerin
86. I mikrí tou kamiliéri – De dochter van de kameeldrijver
87. Mes tis Polis to chamám – In de hamám van Istambul
84. SCHIPPER
Kom, schipper, kom,
langzaam, langzaam
naar de rand van de stad,
naar de vredige stilte,
naar de baai van de harem,
kom, schipper, kom.
Ik zal haar schaken,
het mooie meisje,
een slavin in haar cel;
zij huilt en weent
en smeekt om haar vrijheid,
kom, schipper, kom.
85. ZIGEUNERIN
Zigeunerin noemen ze me;
zigeunerinnetje zeggen ze.
Net als ik mijn tent uitga,
kom ik een vreemde mangas tegen.
En hij zal me meenemen,
als ik m'n tas weggooi.
We zullen naar zijn villa gaan
om te roken bij hem thuis.
Om fijn bij de baglamás
te zingen en lol te maken.
Ik zie hele zwermen zigeunerinnen
en allemaal hebben ze tassen.
Ik hou er een tegen en kijk haar aan
en vraag haar naar haar naam.
86. DE DOCHTER VAN DE KAMEELDRIJVER
De dochter van de kameeldrijver,
een Arabische uit Algiers:
iedereen die haar ziet, wil haar,
yaleleli.
De Arabieren zingen
als ze danst in hun huizen;
haar lichaam kronkelt als een slang,
yaleleli.
Ze danst en speelt tamboerijn,
en ze zweept iedereen op;
haar ogen zijn honingzoet,
yaleleli.
Ze is beladen met sieraden,
oorbellen en ringen;
mijn hartje wil haar,
yaleleli.
86a. ZIGEUNERIN
Ik heb veel sultanes gezien
beroemd om hun schoonheid
maar jij maakt mensen tot slaaf
mijn lieve zigeunerin.
Als je je hoofddoek opdoet
de anjer onder het oor
beeft de hemel en gaat vallen
met de sterren erbij.
Kom, kom, kom,
mijn mooie zigeunerin
Mijn mooie zigeunerin,
ga niet naar je tent -
Hij raakt je kwijt, hij raakt je kwijt,
de zigeuner waar je van houdt
Gooi je hoofddoek weg
en ga met me mee,
en neem andere kleren,
zodat je één van ons wordt.
Kom, kom, kom,
mijn mooie zigeunerin
87. IN DE HAMAM VAN ISTANBUL
In de hamám van Istambul
neemt een harem een bad;
negers bewaken de meisjes
en brengen ze naar Ali Pasja.
Hij beveelt zijn wacht
ze bij hem te brengen,
om voor hem te dansen
en bouzouki te spelen.
Hij wil waterpijpen roken
met Turkse hasj,
en haremmeisjes zien,
die een zigeuner-buikdans doen.
Alle pasja's van de wereld
brengen zo hun tijd door:
met waterpijpen en bouzouki's,
met omhelzingen en kussen.
THEMA PSEUDO-REBETIKA
In de jaren vijftig werd de rebètika steeds commerciëler en werden muziek en teksten speciaal voor het grote publiek geschreven. Was de rebètika oorspronkelijk onlosmakelijk verbonden met de hasjkit, de gevangenis, de straat, nu werd deze muziek gespeeld in de taverna’s, de plek voor gestructureerd amusement. Men kwam er om te eten, om te drinken, om zich te vermaken. Dit vereiste dus muziek waarop gedanst kon worden en nietszeggende teksten die tot meezingen uitnodigden. Dit betekende het begin van het einde van de echte rebètika.
88. Ta kavourákia – De krabbetjes
89. Palamákia – Handjes op elkaar
90. Egó plirono ta mátia p’agapó – Ik betaal voor het meisje van wie ik hou
88. DE KRABBETJES
Op de kiezels van het strand zitten twee krabbetjes,
alleen en verlaten, en steeds huilen de zielenpootjes.
Hun moeder, mevrouw Krab,
is met de Brasem op stap naar Rafina.
En steeds huilen de krabbetjes
op de kiezels van het strand.
's Avonds komt meneer Krab en vindt het huis niet aan kant.
Hij zoekt zijn gezin en trekt zich de haren uit zijn hoofd.
Hij zet krabbelend koers naar Rafina,
om mevrouw Krab te zoeken.
En steeds huilen de krabbetjes
op de kiezels van het strand.
De dageraad gloort en de Krab komt terug,
krabbelend over het strand, nog steeds zonder zijn vrouw.
Op laag water speelt nu in Rafina
mevrouw Krab met de brassende Brasem.
En steeds huilen de krabbetjes op de kiezels van het strand.
89. HANDJES OP ELKAAR
Op de snaren op en neer speel ik de baglamás,
en de mángissa danst
een mooie karsilamás.*
Handjes op elkaar,
laat de voetjes stampen
op de tegels van de vloer.
Je maakt me gek, je maakt me dood met die mooie dans:
gooi alles stuk, alles kapot
en ik zal het betalen.
Die mooie jongen, die bij je is,
mag trots op je zijn:
en de baglamás mag van mij
in tweeën breken.
* Turks: 'tegenover elkaar'. Inmiddels vergeten dans waarbij twee personen tegenover elkaar dansten op een 9/8 ritme.
90. IK BETAAL VOOR HET MEISJE VAN WIE IK HOU
Het wordt ochtend, het wordt avond,
altijd op dezelfde wijs:
breng de duurste drank, want ik betaal
voor het meisje van wie ik hou.
Herbergier, als je ziet
dat ik glazen breek, en brabbel,
veroordeel me niet, denk niet dat ik gek ben,
ik betaal voor het meisje van wie ik hou.
Mijn hart betrekt,
ik huil tranen met tuiten:
als we zo doorgaan, ga jij vast en zeker
onder de grond en ik naar het gevang.
THEMA AMÁN-LIED
Het amán-lied (Grieks amanés, manés) is een improvisatie van de stem op een korte poëtische tekst. Het is de Griekse pendant van de Turkse gazél (een Arabisch woord). Het genre komt overal in de makám-cultuur voor. De teksten zijn bijzonder bloemrijk.
Het woord amán is een Turks woord dat “ach”, “wee” betekent, en het zet vaak aan het begin van de dichtregels de toon. De rebètika kennen de vocale improvisatie ook binnen een lied. Daarbij is ook de uitroep “medet” (Turks voor “hoop”) te horen.
Inhoud:
109. Minore - Minore
110. Manés kalinichtiás - Amanés van de goede nacht
111. Oso ki an amártisa - Hoeveel ik ook gezondigd heb
112. Stamboul ousák manés - Stamboul ousák manés
113. Amanés tambachaniótikos - Amanés tambachaniótikos
114. Tzivaeri - Schat
109. MINORE
Elk moment zijn mijn ogen in tranen
en ik heb besloten om alles voor jou op te geven.
110. AMANÉS VAN DE GOEDE NACHT
Amán, het uur en het moment is gekomen
om mijn mond te openen
en mijn goede vrienden
een goede nacht te wensen.
111. HOEVEEL IK OOK GEZONDIGD HEB
Hoeveel ik ook gezondigd heb,
Het is niet mijn schuld
Maar van de valse maatschappij
Die draagt de schande.
112. STAMBOUL OUSÁK MANÉS
Wie mij hoort zingen
Zal zeggen dat ik vreugde ken
Maar in mijn hart
Groeit bitterheid en pijn.
113. AMANÉS TAMBACHANIÓTIKOS
Als ze komen en me zeggen
Om je op te geven
Zal ik het weigeren
Met mijn laatste adem.
114. SCHAT
Ach, een verborgen wonde,
kan die genezen?
Ach waarom in deze rampspoed
ben jij de oorzaak.